“Ik wil naar papa” – intens kinderverdriet op een argeloze vrijdag

Dit keer geen blog over de natuur. Maar over vijftien minuten van deze vrijdag, waarin een klein meisje mijn pad letterlijk kruiste.

Op een kruispunt, vlak bij de snelweg.
Een plotselinge ontwijkende beweging van de auto voor mij.
Daarachter een klein blond meisje van een jaar of drie op een roze fietsje met zijwieltjes – ze schiet de weg op, richting het kruispunt, maakt een bochtje voor mijn auto langs weer richting het fietspad.
Ik schrik, maar doe in een reflex de alarmlichten aan, zet de auto voor de kleine peuter en stap uit.
Er is nergens een volwassene te zien.
Het meisje is moederziel alleen.

Twee roodomrande oogjes kijken me aan, als ik bij haar hurk.
Op het kruispunt raast het verkeer onverstoorbaar door.
“Zoek je papa of mama?”

Het meisje wijst achter mij, waar de snelweg mensen de wereld invoert.
“Ik wil naar papa!”
“Is papa weg?”
Ze knikt.
“Papa is kaas halen.”

Ik twijfel. Moet ik nu de politie bellen? Of weet ze zelf nog waar ze woont?
“Waar is jouw huis?”
Ze draait zich om op haar fietsje en wijst naar de woonwijk.
“Daar!”
Haar stemmetje klinkt dapper, verwijtend bijna.
Dat ik dát niet begrijp.

“Zullen we bij jouw huis gaan kijken?”, probeer ik.
“Nee, ik wil naar papa. Papa is daar.”
Haar stemmetje klinkt vastbesloten
Ze wijst de wereld in.
Ze móet naar papa.

“Op de weg is het gevaarlijk. Zullen we toch maar jouw huis op zoeken? Dan ga ik met je mee.”
Ze draait om en fietst de wijk in.
Rechtdoor, linksaf, drempel over, rechtsaf.
Af en toe stopt ze even.
Ze wijst naar een huis.
“Daar is het.”

Voor het huis loopt een oudere vrouw, bellend. Een man kijkt zoekend rond.
Als de vrouw mij met de kleine peuter ziet, begint ze opgelucht te lachen.
“Ben je daar? We waren je kwijt.”
Ik voel me opgelucht.
Het kindje is terecht.

De vrouw opent haar armen en tilt het meisje, dat ineens hard begint te huilen, liefdevol op.
“Ik wil naar papa”, roept ze snikkend.

Ik sta er onbeholpen bij.
“Ze fietste midden op het kruispunt, mevrouw. Bij de snelweg. Ze wilde naar papa. Die is kaas halen, zei ze.”
De vrouw schudt haar hoofd.
Terwijl het kindje luidkeels huilt tegen haar schouder, buigt ze naar me toe.
“Haar papa komt nooit meer. Ik ben haar pleegmoeder. Ze is zwaar getraumatiseerd.”

Met vlijmende pijn dringen die woorden m’n hart binnen. Een wereld van intens leed – in één zin.
“Papa komt nooit meer.”

Wat een diep verdriet.
Klein, lief blond meisje, met je gebroken, hunkerende hart.

Met tranen in mijn ogen loop ik terug naar de auto.

In de avond tel ik mijn zegeningen.
Alles wat ik heb gekregen, de mensen die me dierbaar zijn.

Maar klein, lief, onbekend blond meisje met je verdriet – ik denk aan jou.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Buiten zwerven – wilde zwijnen doden soortgenoot

Het Kroondomein, tegen de schemer. De snijdend koude oostenwind dringt er diep in door.
Samen met zoon doorkruis ik het bos.
We zien veel wilde zwijnen. Ze zwerven in kleine groepjes rond, op zoek naar moeilijk verkrijgbaar eten – de grond is meedogenloos bevroren.

Maar dan.
Gekrijs, gekerm, hartverscheurend gegil.
Stokstijf staan we.
Lieve help, wat is dit?

Zoon wijst. Daar, tussen de eiken, nauwelijks twintig meter verderop.
Zes, zeven wilde zwijnen staan ergens omheen.
Ze stoten, ze beuken. Op iets dat kermt en gilt.
Eén van de zwijnen kijkt op en ziet ons. Hij stoot de bekende diepe grom uit – de boel stuift uiteen. Maar niet ver, ze blijven staan, lijken terug te willen.
Het gekerm gaat over in zacht klagen en verstomt langzaam.

Ik besluit te gaan kijken en ren in volle vaart (ingegeven door een merkwaardige mengeling van schrik, daadkracht en lichte vrees) door de bosbessen naar ‘de plek’.
De wilde zwijnen draven wat verder weg, maar blijven op zichtafstand staan.
Ik ben voorzichtig. Hun gedrag is anders dan anders.

Op de plek verstar ik van schrik. Tussen de bosbessen ligt een overloper. Een beestje van een jaar. Op z’n zij, bebloed, een poot raar naast zijn lijf, de ogen opengesperd van angst.
Hij ziet mij, mens, aartsvijand nummer één, en probeert weg te komen. Kronkelt op z’n rug, staat op, valt, kruipt weg tussen de bosbessen – zwijgend, stervend.
Naargeestig tafereel.

Ik ren terug naar het pad. De zwijnen blijven grommen –een oergeluid dat me op m’n hoede doet zijn.

Op dit stervende dier stonden de anderen dus te beuken en te stoten. Een verzwakt beest, ten dode gedoemd. Zijn door kou en honger geplaagde soortgenoten verkoren hem om te sterven voor hun leven.
We zijn van slag. Wij kerels, met onze stoere verhalen over moeder natuur; met onze oordelen over bijvoerende lieden in de Oostvaardersplassen (‘die kunnen niet eens de natuur haar gang laten gaan’).

Als we het bos verlaten in de kille schemer, weten we dat de zwijnen teruggekeerd zijn bij het gewonde dier. Onontkoombaar lot – de kleine sterft een wrede dood.

Bij de auto eten we een mandarijntje – een kleine, vruchteloze poging om menselijke gevoelens te overstemmen. Gevoelens van medelijden, van willen beschermen wat weerloos is. Van het rare conflict van iets willen doen, en toch niets willen doen. Van de eeuwige botsing tussen empathie voor het individu en begrip voor de wetten van het grote geheel.

Ik deel mijn verwarring met zoon.
“Hoe kan een dier zoiets doen, dat snap je toch niet?”
Zoon (die zich steeds meer bezighoudt met ecologie) kijkt me aan. “Intraspecifieke concurrentie, pap. Dan krijg je dit soort dingen.”

Ik sta weer met beide benen op de grond.

Foto André van Dijk

 

 

Geplaatst in Belevenissen, Buiten zwerven | Een reactie plaatsen

Buiten zwerven – Wat ik nog niet wist van sneeuwgorzen…

De Kwade Hoek, op de Kop van Goeree, is een uitstekende plek om sneeuwgorzen te zien. Vanaf december zijn ze er vaak in grote groepen aan te treffen. Vandaag ben ik weer naar ze op zoek gegaan.
Het was bepaald geen vriendelijk weer. De wind was stormachtig, en ondanks de 11 graden Celsius was het waterkoud.

Ik weet waar ik de sneeuwgorzen kan vinden. Op de zeekraalvelden, waarvan er steeds meer te vinden zijn in de Kwade Hoek. Het merkwaardige van dit gebied is dat het groeit, ondanks de heftige invloed van hoge waterstanden. In het winterhalfjaar, en zeker als het springtij is en de wind uit het noordwesten staat, worden er regelmatig hele stukken strand en jong duin weggeslagen. Toch verandert dit landschap van een uitgestrekte strandvlakte in een afwisseling van jonge duinen, begroeid met helmgras, en stukken zeekraal, die bij hoogwater onderlopen. In die zeekraal zijn de sneeuwgorzen, vaak samen met grote groepen fraters, te vinden. Ook langs het vloedmerk scharrelen ze graag rond.

Ik loop deze middag tegen het zonlicht in. Dat helpt me niet op tijd de sneeuwgorzen te zien. Het lage licht van de benevelde zon zet de natte vlakte in een helle gloed, waar ik met toegeknepen ogen doorheen dwaal. Als ik de sneeuwgorzen op een paar meter genaderd ben, vliegen ze in een grote groep op; ik schat zo’n vijftig stuks, maar het kunnen er ook tachtig zijn. De groep vliegt namelijk nooit in één keer op. Als ze opvliegen, is het net of er een tapijt opgerold wordt. Steeds meer gorzen vliegen op tot zich een dichte, snel zwenkende, druk kwetterende groep vormt, die meestal snel weer invalt.

Om goed de sneeuwgorzen te kunnen zien, kijk ik waar ze precies invallen. Redelijk dichtbij, dit keer. Ik loop met een boog om de groep heen, en benader de plek waar ze ongeveer moeten zitten, met het matte zonlicht nu in m’n rug. De groep kruipt al fouragerend in hoog tempo door de zeekraal, dus in een paar minuten zitten ze tientallen meters verder. Ze scharrelen tussen de zeekraalplanten, waar ze met hun bonte kleed, dat vooral uit bruine, witte en zwartachtige tinten bestaat, niet opvallen. Maar zoals voor veel noordelijke vogelsoorten geldt, zijn ze redelijk dicht te benaderen.

Uiteindelijk krijg ik de groep in het oog. Ik neem de tijd om ze te fotograferen en door de verrekijker aandachtig hun gedrag te bestuderen. Raar genoeg zie ik nu pas, na zo vaak sneeuwgorzen gezien te hebben, wat ik nooit eerder wist van sneeuwgorzen: ze lópen, in plaats van te hippen. Vinken bijvoorbeeld, of andere gorzen, verplaatsen zich door te hippen: met twee poten tegelijk een sprongetje maken. Check de vinken in je tuin maar. Sneeuwgorzen lópen, soms vechtend tegen de wind, tussen de zeekraal over het zilte zand. Op onderstaande foto’s is het goed te zien. Het heeft wel iets parmantigs en dappers tegelijk, zeker als je bedenkt dat die kleine beestjes windkracht 6 voor hun kiezen krijgen.

Als ik dichtbij kom, vliegt de hele groep op, om even verder weer tussen de zeekraal te duiken, waar hun ijverige gescharrel weer van voren af aan begint. Ik scharrel ook verder, tussen stuifduintjes en zeekraal, tot de schemer invalt. En kaarslicht, een Jägermeister en de warmte van een gezellig huis lonken in het oosten.

Geplaatst in Belevenissen, Buiten zwerven | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Buiten zwerven – Sprookjesbos

Terwijl ons Nederlanders opgedragen wordt niet de weg op te gaan, dwaal ik samen met zoon (16) door het sprookjesbos, nog geen vijf minuten van ons huis. Elke stap in deze witte wereld is intens.
De sneeuw valt zachtmoedig en betoverend – we gaan ervan gaan fluisteren. Zwerven langs sparren, die geduldig buigen onder de schoonheid. Kijken vol ontzag naar de afgebroken kronen van grove dennen, die bezweken onder de last van de sneeuwlaag.
In een uitgestrekt, afgelegen beukenbos staren we ademloos omhoog. Alsof we onverwacht een kathedraal betreden hebben, waar elk moment volmaakte stemmen kunnen gaan zingen tussen de stammen, die er oprijzen als zuilen.
We hurken in de sneeuw om zonder woorden de zachte, stille schoonheid van het besneeuwde bos te ervaren.

Twee reeën springen weg. Een vos steekt over – van de ene bosrand naar de andere. We bekijken het spoor dat hij achterliet, de vegen van zijn staart in de rulle sneeuw.
Een late raaf wiekt zwijgend door de sneeuwbui. Een houtsnip vliegt op – wild en onhandig – en laat zich vallen tussen de sparren, waar de nacht langzaam omhoog kruipt tegen de stammen.

Hoe verlaat je zo’n bos? Op je tenen.
Met het spijtige gevoel dat het sprookje morgen smelt.
Als sneeuw voor de zon.

Geplaatst in Buiten zwerven | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Buiten zwerven – Hard to get

De reeënbronst krijgt over het algemeen minder (publieke) aandacht dan de hertenbronst. Hoewel het festijn van burlende edelherten zeker niet te versmaden valt, kijk ik toch liever naar de reeënbronst.

De reeënbronst heeft niet het massale brullen en matten voor een harem dat ietwat bedeesd de uitkomst van de strijd afwacht. Het spel is subtieler en speelt zich niet zozeer met concurrerende mannetjes af, maar met de geit. Als het haar behaagt, mag de bok. En het behaagt haar niet zomaar. Het is hard to get op z’n best.
Vorige week –op een broeierige avond- zag ik weer eens prachtig hoe dat gaat.

Op een stil graslandje tussen een aantal percelen hakhoutstruweel liep een reegeit als de onschuld zelve te grazen. Aan de bosrand verscheen een bok, die een soort quasi-nonchalant wat rondkeek, hier en daar een grasspriet at en hé, wat toevallig, bij de reegeit uitkwam. Toen hij haar op een aantal meters was genaderd begon hij te flemen (met uitgestoken tong de geur van de geit opsnuiven). Dat werd hem teveel, zoveel vrouwelijkheid op een broeierige avond is niet te dragen. Zijn voorzichtig scharrelen sloeg om in een wilde sprint naar de geit, die het op een lopen zette. In een grote cirkel achtervolgde de bok haar.

Het hele volgende uur bestond uit dit spel. Rondjes rennen, stoppen en weer rennen. Toen de geit bepaalde dat het moment rijp was, mocht de bok paren. Geen ruw zegevieren onder het oog van verslagen tegenstanders en nog tien dames (zoals bij edelherten), maar in de intieme schemer van de bosrand wordt het leven bestendigd. Ik kreeg bijna de neiging me te excuseren en een keer te kuchen. Als iemand die ongewild in de rol van voyeur is beland.

Toen de nacht alles veranderde in stille schimmen ben ik -bij het licht van de opkomende maan en het klagend roepen van de bosuilen- zacht weggegaan.

Geplaatst in Belevenissen, Buiten zwerven | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Buiten zwerven – “Sorry, houtsnip”

Binnen blijven is voor mij altijd een moeilijke opgave geweest. En zeker als er een sneeuwlaag ligt. Naar buiten dus, als het zover is. De sneeuw dempt de geluiden, de tintelfrisse buitenlucht zuig ik diep m’n longen in.

Overal zijn diersporen zichtbaar; van de fijne prentjes van een marter op een omgevallen boomstam tot gedooide sneeuw rond muizenholletjes, van een geel vlekje vossenpis tot de wissels van hazen. Ineens wordt er een wereld aan animal traffic zichtbaar en word je fijntjes duidelijk wat je allemaal mist als er geen sneeuw ligt.

Wat een feest dus om door het sneeuwlandschap te dwalen. Te groot bijna, dat feest, want ik wil overal tegelijk zijn. Daarom dwaal ik altijd maar van de ene gebeurtenis naar de andere. Laat de natuur maar kiezen wat ik meemaak.

Ik zwerf door het witte landschap langs de IJssel en stuit op een beverdam. Stijf bevroren. In het ijs achter de dam zijn wakken met een vers ijslaagje te zien. Daar heeft de bever vermoedelijk nog regelmatig zijn kop doorheen gestoken. De vorst heeft een verzameling wilgentakjes in het ijs ingevroren. Door het ijs heen schemert de voorraad wilgentakken van de beverfamilie. Die komt de winter wel door in de burcht en laat zich aan mij in ieder geval niet zien.

Al struinend stoot ik een houtsnip op, die achter een houtwal verdwijnt. Dat zijn nou typisch van die vogels die in de war lijken te raken zodra er sneeuw ligt. Ze lijken dan ineens in elke houtwal te zitten en zijn aanzienlijk minder schuw.

Ik ben nog “sorry houtsnip” aan het mompelen als hij binnen een paar tellen weer keihard terug komt vliegen, op de hielen gezeten door een havik.
Ik kijk recht in de wijdopen ogen van de houtsnip, waarin de strijd tussen stoïcijns berusten in het noodlot of vluchten in doodsangst gestold lijkt te zijn. Daarachter gloeit de doorborend felle blik van de jakkerende havik, die met dodelijke snelheid nadert.

Secondenwerk is het, meer niet. De geluidloze seconden van de strijd op leven en dood.
De snip suist wild over m’n hoofd, ik duik in een schrikreactie weg.
De havik schrikt van mijn beweging en zwenkt met een felle ruk opzij, weg van mij, weg van zijn prooi.
Die ploft dezelfde houtwal weer in. Voor dit keer kan hij afkloppen.

Ik glimlach en maak een lichte buiging naar de houtwal, als ik er met een boog omheen loop.
Heb ik het toch nog goedgemaakt met de houtsnip.

20170123_120219

Geplaatst in Buiten zwerven | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Buiten zwerven – Ode aan Drenthe

Tot voor een jaar kwam ik vrijwel nooit in Drenthe. En áls ik er kwam, kwam ik niet verder dan de lange rechte N-wegen, omzoomd door bietenvelden. Er woonde een lichte verachting jegens dit nietszeggende land in mijn hart. In Drenthe heeft een natuurliefhebber niets te zoeken, dacht ik. Sinds mijn beste vriend echter in Drenthe woont, doorkruis ik er regelmatig de natuur, meestal in het gebied van de Drentsche Aa en in de bossen rond Schoonloo. Hoog tijd voor een Ode aan Drenthe.

De provincie heeft me werkelijk overrompeld. Wat een rust, pracht en veelzijdigheid, in alle jaargetijden. We bewonderen er in de zomer de blauwe schittering van talloze weidebeekjuffers, zoeken ottersporen en ontdekken dassenburchten. We turen op onze knieën in een nat veld naar een roepende kraanvogel, terwijl de schaduw van een rode wouw over ons glijdt. We zien grauwe klauwieren, staan oog in oog met adders, genieten van de zwarte rapunzel en velden vol orchideeën, beluisteren er de geestdriftige zangkoren van blauw aangelopen heikikkers en verbazen ons over de zeldzame veenbesparelmoervlinders.
En dit, vrienden, is nog maar een klein greepje uit talloze grote en kleine belevenissen.

Wat Drenthe behalve de prachtige natuur bovendien bijzonder maakt: er hangt altijd een vleugje Scandinavië. Als ik me niet vergis strijkt er nu en dan zelfs een Arctische zuchtje overheen. Zeker deze week, als een koude noordooster kil over de witte akkers blaast en de dalende zon een roze gloed op verre wolken aan de horizon tovert. Naar die horizon zijn we in Drenthe altijd op weg, als we er uren en kilometers lang rondstruinen, langs oude strubbenbossen en zwijgzame hunebedden, waarin de eeuwen gestold liggen.

Van dit Drenthe ben ik gaan houden.
Vandaar deze ode.
In de hoop dat dít Drenthe nog heel lang zo blijft.

20170105_155607

Geplaatst in Buiten zwerven | Een reactie plaatsen